Het kweken van de Dwergpapegaai Agapornis Fischeri:

Deze ongeveer 14 tot 15 centimeter lange soort behoort tot de groep van de vier agaporniden soorten met een witte oogring, de personatusgroep. Het is een van de populairste dwergpapegaai Agaporniden die niet enkel in de voliere en onder kwekers wordt gehouden, maar ook als kooivogel erg in trek is. Deze Agapornis is zeer geschikt voor een kweker die net begint en nog weinig ervaring heeft.

De natuurlijke leefomgeving van de dwergpapegaai Fischeri is het noorden van Tanzania. Daar leven de dieren in een droog gebied in kleine groepjes. Ze voeden zich in hoofdzaak met (gras)zaden. Er zijn geen uitelijke verschillen tussen beide geslachten, dit kan met via de bekkentest doen, bij de mannelijke vogel staan de bekken dichter bij elkaar als bij de vrouwelijke vogel.

De dwergpapegaai Agapornis Fischeri kan bastaarderen met de soorten die behoren tot de personatusgroep, dit kan in het algemeen beter worden afgeraden. Mede door hung grote aanpassingsvermogen en de relatief eenvoudige kweek zijn er talloze kleurmutaties ontstaan. In het wild nestelen de vogels graag in boomholten, maar als deze niet voorhanden zijn blijken de nakweekdieren weinig kieskeurig ten opzichte van hun nestelplaats te zijn. De Agapornis Fischeri maken een nest van grove merialen, zoals wilgentakken. Er worden 3 tot 5 witte eitjes gelegd die het vrouwtje in gemiddeld 21 dagen uitbroed. Kuikens worden gerignd met ringmaat 4,5mm. Jonge vogels zijn herkenbaar aan hun zwarte snavelwortel. U kunt deze vogels als paartje houden, maar huisversting in een klein groepje kan ook. Hoewel er best wel eens onenigheid is binnen de groep heeft dit een in een ruime voliere doorgaans weinig om het lijf. In het broedseizoen is het echter beter de gevormde paren apart te huisvesten.

Mutaties van de Dwergpapegaai Agapornis Fischeri

Deze rubriek heeft nu zn eigen pagina! Klik op deze regel voor een overzicht met mutaties en veel foto's!

Omdat er inmiddels zoveel mutaties zijn heb ik deze per mutatie beschreven, anders zou deze pagina echt te lang worden. 

Standaard eissen Dwergpapegaai Agapornis Fischeri:

Lengte: 15 cm van bovenkop tot staarteinde. Hoofd: Voorhoofd: vanaf de snavel breed en licht gerond naar achter toe. Kruin: breed en licht gewelfd, naar achterhoofd toe lichtjes afgeplat ten aanzien van het voorhoofd. Achterhoofd: breed en goed gevuld. Hals: goed gevuld, kort, gedrongen en zonder inval of bult. Wangen: goed gevuld, in harmonie met het hoofd. Ogen: centraal geplaatst, helder uitstralend en omgeven door een heldere onbevederde witte oogring. Snavel: fors gebouwd, onbeschadigd, goed ingetrokken, de punt van de bovensnavel naar de borst gericht en ondersnavel goed passend in bovensnavel. Borst: breed en goed gevuld, elegante ronding, meevolgend met de ronding van de vleugels. Buik: harmonisch aansluitend in het verlengde van de borst. Anaalstreek: harmonisch aansluitend in het verlengde van de buik. Vleugels: goed aansluitend op lichaam en bovenstaartdekveren, alle vleugelpennen ongeschonden aanwezig, niet afhangend of kruisend. Schouders: breed. Poten: korte stevige poten, 2 tenen naar voren, 2 naar achteren, alle onbeschadigd aanwezig, de zitstok goed vastgrijpend. Nagels: kort gebogen, eenkleurig, alle onbeschadigd. Houding: elegante, krachtige, fiere houding. Bevedering: schoon, compleet en licht glanzend. Staart: wigvormig waarvan de top licht afgerond is. Stuit en bovenstaartdekveren: in rechte lijn met de staart.

De kleur van de overgangszone in de nekstreek moet vloeiend zijn. De aanwezigheid van vlekkerig rode psittacine op de zijkanten van de hals en het achterhoofd is foutief. Diep oranjerode maskers hebben de voorkeur. Bij de verschillende kleuren van het hoofd zijn duidelijke afscheidingen vereist. De scheiding tussen de voorhals en de borstkleur moet goed afgelijnd zijn en loopt van vleugelbocht tot vleugelbocht. De voorhoofdsband moet breed zijn, tot de hoogte van het midden van het oog. Zwarte vlekjes of streepjes in de bevedering zijn foutief. De vlektekening op de grote staartpennen wordt bijna volledig bedekt door de boven- en onderstaartdekveren. De twee middelste staartpennen hebben geen vlektekening. Tussen de kleur van de stuit en de bovenstaartdekveren is geen strakke aflijning vereist,De washuid van de snavel is wit en ongeschonden.

Voorhoofd: dieporanjerood. Kruin: bronsgroen, naar achterhoofd en hals toe geleidelijk overgaand in olijfgeel. Wangen: dieporanjerood met bronsgroene overgangszone naar de hals toe. Deze overgangszone loopt aan het oog naar beneden. Kin, voorhals en bovenborst: dieporanjerood. Ogen: donkerbruin met onbevederde witte oogring. Snavel: rood. Onderborst, flanken, buik en anaalstreek: lichtgroen. Mantel en vleugeldekveren: nuance donkerder dan de rest van het lichaam en geven een licht gehamerde indruk. Grote vleugelpennen: groene buitenvlag, blauwzwarte binnenvlag. Vleugelbochten: geel. Stuit en bovenstaartdekveren: violetachtig blauw. Onderstaartdekveren: lichtgroen. Staartpennen: de staartpennen zijn overwegend groen met een blauw uiteinde. De secundaire staartpennen hebben in het midden een oranjerode vlektekening. Deze vlektekening is gedeeltelijk omgeven door een zwarte zone. Poten: grijs. Nagels: nuance donkerder grijs dan poten.