Dwergpapegaai Agapornis Roseicollis

Dit is de meest bekende en geliefde dwergpapegaai Agapornide, ook wel bekend onder de naam Perzikkop agapornis of Roseicollis. Als mensen die niet kweken het over een agapornis of een dwergpapegaaitje hebben, wordt vrijwel altijd deze soort bedoelt. Er is een ondersoort bekend, die voorkomt in Angola. De Latijnse benaming van deze soort is Agapornis Roseicollis Catumbella. De ondersoort is wat kleiner dan de nominaatvorm en heeft een lichter getinte snavel. De Agapornis Roseicollis komt van oorsprong uit het zuidwesten van Afrika waar hij met name in de drogere gebieden zijn habitat vindt. De Roseicollis voedt zich daar met (gras) zaden besjes, al naar gelang het seizoen. De Agapornis Roseicollis is bij uitstek de vogel voor een beginnend maar ook als gevorderde kweker. Mede door de vele mutaties is het een populaire show of tentoonstellings vogel.

 

Het kweken van de dwergpapegaai Agapornis Roseicollis:

Deze Agaporniden zijn uiterst sociaal; ze leven als jonge dieren in enorme zwermen die zich bij het volwassen worden afsplitsen in kleinere groepjes. In de voliere kunnen ze met meerdere koppels tezamen gehouden worden, maar desalniettemin blijft de kans bestaan de koppels, zeker in het broedsiezoen, elkaar naar het leven gaan staan.. letterlijk! Daarom kiezen de meeste kwekers ervoor om de vogels als Koppel te huisvesten. Dit is overigens niet enkel vanwege de agressie die kan ontstaan maar tevens omdat dit de enige manier is om overzicht te houden bij het gerichte kweek op bepaalde kleurslagen. Perzikkop Agaporniden zijn geen actieve nestbouwers. Ze broeden in de vrije natuur meestal in een holle boom, die ze bekleden met wat takjes en schors. De vrouwtjes stoppen het gevonden nestmateriaal tussen hun veren en transporteren het op deze wijze naar het nest.

Er zijn geen uitelijk verschillen tussen mannelijke en vrouwlijke dieren. De bekkentest is de meest gebruikte metode maar vergt ervaring. Bij de mannelijke vogels staan de bekken dichter bij elkaar dan bij de vrouwelijke vogels.

Standaard eissen Dwergpapegaai Agapornis Roseicollis:

Lengte: 17 cm van bovenkop tot staarteinde. Hoofd: In verhouding tot het lichaam bol, breed en betrekkelijk groot. Voorhoofd: Groot, het breedst tussen de ogen zodat deze aan voor en bovenkant nauwelijks zichtbaar zijn, vanaf de voorzijde fraai gerond naar achter toe. Kruin: Breed en licht gewelfd. Achterhoofd: Breed en goed gevuld. Hals: Kort, breed en goed gevuld, in een vloeiende lijn verlopend met de borst en zonder inval of bult naar of in de nek. Wangen: Goed gevuld, in harmonie met het hoofd. Ogen: Centraal geplaatst, helder uitstralend en omgeven door een helder bevederd oogringetje. Het kleine smalle oogringetje dient ononderbroken aanwezig te zijn, het is toegestaan als het ringetje aan de bovenzijde van het oog bedekt wordt door de kopbevedering. Snavel: Krachtig en breed aangezet maar niet al te fors. Onbeschadigd en goed ingetrokken. De punt van de bovensnavel naar de borst gericht en ondersnavel goed passend in bovensnavel. Borst: Breed en goed gevuld, elegante ronding, meevolgend met de ronding van de vleugels. Buik: Harmonisch aansluitend vanaf het verlengde van de borst en in een vloeiend verloop richting de stuitbeentjes. Anaalstreek: Harmonisch aansluitend in het verlengde van de buik. Vleugels: Niet al te grof of te dik, tamelijk kort en goed aansluitend op lichaam en bovenstaartdekveren Alle vleugelpennen ongeschonden aanwezig, niet te dik, niet afhangend, niet kruisend maar aan de top wel iets afgerond. Schouders: Breed Poten: korte stevige poten, de zitstokken goed vastgrijpend, 2 tenen naar voren, 2 naar achteren, alle onbeschadigd aanwezig. Nagels: Kort gebogen, eenkleurig en alle onbeschadigd. Houding: Elegante, krachtige, fiere houding. Bevedering: Schoon en glanzend. Compleet, niet te lang maar wel dicht aaneengesloten. Een ruig en rul verenpak sluit niet aan, geeft geen goede bedekking en is fout. Staart: Wigvormig en relatief kort, de top licht afgerond. Stuit: In rechte lijn met de staart.

Voorhoofd: diep rood tot de scheiding midden op de bovenschedel. Kruin: groen. Wangen: diep rood met een pastelgrijs tot paarsachtige overgang naar de groene nek. Kin, voorhals en bovenborst: diep rood. Ogen: donkerbruin met een bleekwit tot crèmeachtig gekleurde bevederde oogring. Snavel: hoornkleurig, ondersnavel, snavelranden en snavelpunt een weinig groenachtig. Onderborst, flanken, buik en anaalstreek: lichtgroen. Mantel en vleugeldekveren: een nuance donkerder dan de rest van het lichaam en geven een licht gehamerde indruk. Grote vleugelpennen: groene buitenvlag, grijszwarte binnenvlag. Vleugelbochten: groen, duimveertjes geel. Stuit: diep hemelsblauw. Onderstaartdekveren: lichtgroen. Staartpennen: overwegend groen met in het midden een zwart-, rood-zwarte vlektekening, aan de uiteinden een smal blauw dwarsbandje. Poten: grijs. Nagels: donkergrijs tot zwart.

Mutations:

Sex-linked mutations:

Lutino, the lutino factor reduces visible eumelanin completely. Combined with a green bird this will result in a pure yellow bird, the legs are pink colored and, typical for this mutation, red eyes. The color of the rump is white, the red of the mask stays unaltered.

Pallid, a yellow bird with a green bloom all over the body. Flight feathers are light grey. The rump is partially affected. Legs, toes and nails are pink colored. The mask is unaffected. These birds have red eyes at hatching that darken into deep dark brown after a day or eight.

Cinnamon, this mutation alters the color of the eumelanin into brown instead of black. The result is a brownish green bird with brown flights and pink colored legs and toes. The mask stays unaltered. Typical for this mutation is that all youngsters have red eyes at hatching. The eyes darken to dark brown after about 8 days.

Cinnamon-lutino (crossing over), Originated by crossing-over between cinnamon and lutino, also know as “lacewing”. In the green series these birds are yellow with a red mask and red eyes, a light blue rump and the flight feathers are light brown. The chance on crossing-over between cinnamon and ino is 3%.

Roseicollis Opaline

Opaline, originated in 1997 in the USA. Most remarkable feature is that the red psittacin of the mask has extended to the back of the head. The general body colour is a somewhat duller green, the rump is almost completely green and the black and blue tail dots have disappeared, and so the red color prevails in that area.

Recessive mutations:

Pied, the recessive pied mutation originated in Australia and shows an almost completely yellow bird. We might say that this type of pied causes a 95% absence of eumelanin. The color of the flight feathers, legs, toes and nails can vary from grey till completely dilute. In most cases the rump color is totally affected and sometimes a light green shade is seen at the upper rump or the lower back. One can also observe a smaller mask in this type of pied. Split birds can be recognized in most cases by a pied spot at the inner side of the thighbone.

Bronze fallow, in common it is of a somewhat lighter shade than cinnamon caused by smaller eumelanin granules produced by this mutation. These birds have pink legs and red eyes. The rump has a dullish blue color. The psittacine stays unaffected leaving the mask unaltered. At first sight this bird can be mistaken for a cinnamon, however, the clear red eyes and the paler back of the head indicate the typical fallow mutation. 
The first fallow roseicollis originated in West Germany. This mutation is difficult to breed and is almost extinct.  

Roseicollis Aqua Pale Fallow

Pale fallow, almost equal to the bronze fallow but there is some difference. The greyish brown eumelanin content is lesser than in the bronze fallow resulting in a paler colored fallow. An olive yellowish bird with a dull blue rump and ruby red eyes. Not only the clear red eyes are typical for this type of fallow but also the greenish shade at the lower abdomen. Legs, toes and nails are pink colored. This type originated in East Germany, which explains its former name, the East German fallow.

Marbled (edged dilute), the first marbled birds originated in the U.S.A. In this mutation we observe a typical edged effect on the wing coverts. This is caused by a normal distribution of eumelanin only at the edges of the feathers and a poor distribution in the remaining part of the feather. The reduction in the poor pigmented areas is about 60% resulting in a lightgreen-yellowish area. The outer ridge of the feather contains much more eumelanin and is therefore darker causing the “marbled” effect. Only the wing coverts and flight feathers show the edged effect. The rump of these birds is bleached. Legs and nails are light grey.

Dilute, the first dilute originated in Japan. In this mutation the eumelanin has disappeared for almost 80 to 90% in the entire plumage. The result is an almost completely yellow colored bird. However, it is not bright yellow because of the presence of few eumelanin. The legs and toes stay almost unaffected, they are like the flight feathers, light grey in appearance. 

Roseicollis Aqua

Aqua, in an aqua bird the yellow psittacin is reduced by approximately 50%. That means that the yellow colour in the cortex of the plumage is not as yellow as it is in the wild type. If we dilute yellow paint for about 50% we will also obtain a lighter yellow colour.  The blue light rays, aroused in the spongy zone, pass through a light yellow “filter” producing a colour that is not green and not blue, it is more in between. That is why this colour is called aqua. Not only the yellow psittacine in the plumage is reduced, also the red psittacine of the mask. The red becomes about 50% paler. Therefore the aqua roseicollis gets its typical pink mask. Legs, toes and nails stay unaffected.

Roseicollis Turquoise

Turquoise, in turquoises there is a reduction of 80 sometimes even 90% of the psittacine in the whole plumag. The psittacine in the cortex becomes very light yellow and by the action of the blue rays in combination with the pale yellow psittacin, we see a bird that is much more “blue” than the aqua. Except for the wing coverts, there is still a green shade, even green patches are visible in the plumage because the reduction in those patches is obviously only 50 till 60%. The psittacine still present, makes the wing coverts more turquoise colored, in contrast to the almost blue body.  In the mask the red psittacine is reduced for about 90% leaving it almost white. However, if we take a good look we can still observe a light pink shade at the front head. That is because there is still 10 till 15% red psittacin present in that area. A true white mask can only be achieved if the psittacin is completely lost, thus in a genuine blue bird (think of the blue Fisher).  This mutation was formerly named “white face” for that reason and is now renamed to turquoise.

Roseicollis Orange Face

Orange face, this type originated in the USA in the eighties. In this mutation the psittacine in the mask and the tail dots is not red but orange and because of this differs from the wild type

Dominant mutations:

Roseicollis Pied

Pied, the result is a bird with unpigmented patches or areas. First bred in the USA. This type of pied can vary from a few pied feathers till an almost complete absence of eumelanin. The mask is smaller in appearance in this mutation. Although these birds have a dominant inheritance, it is hard to say whether there is a clear difference between SF and DF birds or not.

Roseicollis Mauve

Dark factor, this factor causes an alteration of the width of the spongy zone. Another blue color is produced by interference in this zone and more light is absorbed. The result is a darker colored bird. The dark factor is a semi-dominant character. That means that the color of SF birds is in between the color of green birds and birds having two dark factors. Green birds with one dark factor are dark green (D green), with two dark factors double dark green.(DD green)

Roseicollis Palehead

Pale headed, originated in The Netherlands. In this mutant the psittacin in the mask and tail dots is light orange pink. SF birds show much lesser effect than a DF bird. The DF birds are the most wanted for shows. The general body color verges slightly on aqua. The remaining parts are equal to the wild type

Violet, this factor alters the structure of the spongy zone. Because of this alteration blue interference changes into violet interference. This violet color inherits dominant and can be bred into almost every other mutation, however, it will be best visible in birds coming from the blue series having one dark factor (dark) or birds from the aqua series having one dark factor (double dark). Combinations with other colors might cause confusion and should be avoided.

Roseicollis Slaty

Slaty, very rare but they exist! The photo is showing a young bird Slaty Turquoise.

Roseicollis Long feathered

Long Feather, as you already noticed, some of above bird are actually also long feathered birds. This mutation is similar in the budgies BUT there is one big difference the color of the Roseicollis is more intensive than that of the wildtype. Normally you would expect if the feather are larger the end of a feather is colorless,this happened with the budgies but for some strange reason the Roseicollis are more intensive.